Groep 1 en 2

 Dagritmekaarten

In groep 1/2 wordt gewerkt met dagritmekaarten. Op deze kaarten is te zien welke activiteiten gedurende de dag plaats vinden.
Als de kinderen binnen komen kijken ze hier gelijk naar. Meestal starten wij in de kring. De absentielijst wordt gecontroleerd en aan de hand van de weekwijzer wordt gekeken welke dag het is, welke datum en wat voor weer.
In de kring wordt vaak een reken- of taalactiviteit gedaan. Verder kunt u ook denken aan verkeer, sociaal emotionele vaardigheden, natuur, muziek, dans, drama etc. Rond 10 uur is er een eet- en drinkpauze. De kinderen mogen dan een gezond tussendoortje eten en drinken. Vervolgens gaan de kinderen aan het werk.
In de ochtend gaan de kinderen 45 minuten naar buiten. Er is een rooster opgesteld zodat er 1 klas per keer buiten is.
Om 12.00 uur gaan de kinderen naar huis of naar de tussenschoolse opvang.
In de middag komen de kinderen opnieuw naar school en wordt er meestal weer gestart in de kring. De absentielijst wordt gecontroleerd. Daarna is er nog tijd voor een les in de kring of een werkles.
In de middag gaan de kinderen 30 tot 45 minuten naar buiten. ’s Middags zijn alle vier de kleutergroepen tegelijk buiten.
Om 15.15 uur is het tijd om naar huis te gaan of naar de naschoolse opvang.
Op woensdag gaan de kinderen tot 12.00 uur naar school en zijn ze ’s middags vrij. Op vrijdagochtend is er inloop, dan mogen de ouders tot kwart voor negen in de klas blijven om samen met hun kind te werken of het werk van hun kind te bekijken.

Takenbord

Alle kinderen hebben een eigen knijper waarmee ze een werkje kunnen kiezen op het 'arbeid naar keuze bord'. Op de knijper van groep 1 staat een foto en de naam van het kind en bij de kinderen uit groep 2 alleen hun naam. Op het takenbord hangen kaarten met foto’s waar de werkjes op staan. Hier staan stippen op. De stippen geven aan hoeveel kinderen er tegelijk dit werkje kunnen doen. Als de kinderen met het werkje willen werken dan hangen zij hun knijper op een stip.
De werkjes zijn ingedeeld op intelligentie. De leerkracht houdt bij welke werkjes de leerlingen doen. Zo weten we welke intelligentie de kinderen het meest kiezen en kunnen we bijhouden of de kinderen verschillende werkjes doen.

Werken in de hoeken

Wij hebben verschillende hoeken. Het doel van werken met hoeken is een plek inrichten waar kinderen met opdrachten, maar ook helemaal vrij kunnen spelen. Door middel van spel leren de kinderen omgaan met anderen en zich verplaatsen in verschillende situaties. In hoeken worden ze geconfronteerd met wisselende situaties en zo worden ze geprikkeld om na te denken en actief mee te doen. Ook kun je door het werken met hoeken tegemoet komen aan de individuele verschillen tussen de kinderen. Je kunt kinderen uit groep 2 samen met groep 1 kinderen in een hoek laten spelen.
De kinderen leren om zelfstandig te werken in de hoeken en zelf te besluiten wanneer je klaar bent in een hoek. Bovendien is in een hoek genoeg ruimte om eigen initiatief te tonen.
Wij hebben in de klas verschillende hoeken:
Huishoek: Bij elk thema proberen wij de huishoek zo aan te passen dat het bij het thema aansluit. Vaak laten we de kinderen zelf met ideeën komen over hoe we de huishoek kunnen inrichten.
Leeshoek: Iedere klas heeft een eigen boekenrek waar boeken in staan. De kinderen kunnen hier een boek lezen.
Bouwhoek: Iedere klas heeft eigen bouwmaterialen waar de kinderen mee aan de slag kunnen om iets te bouwen.
Op de gang hebben we ook 3 hoeken namelijk de beweeghoek, de muziekhoek en de poppenkasthoek.

Werken met thema's

Binnen de thema’s worden verschillende werkjes aangeboden. Per week zijn er 4 verplichte werkjes voor groep 2, de kinderen van groep 1 kunnen er voor kiezen om deze werkjes te maken.
De werkjes sluiten aan bij de verschillende intelligenties van Meervoudige Intelligentie.
Elke week wordt in ieder geval een taal- en een rekenwerkje aangeboden. De andere twee werkjes variëren qua intelligentie.
Het is de bedoeling dat de kinderen van groep 2 aan het eind van de week de werkjes af hebben. Sommige kinderen kunnen dit al zelf inplannen. Andere kinderen hebben hier nog hulp en sturing van de leerkracht bij nodig.
Groep 1 krijgt ook diverse werkjes aangeboden, gedurende het jaar worden hier steeds meer eisen aan gesteld.
De werkjes worden opgehangen in de klas, meegegeven naar huis of bewaard voor het trotsportfolio dat de kinderen bij ieder rapport mee naar huis krijgen.

Stoplicht

In elke klas is een stoplicht aanwezig. Dit stoplicht wordt door de leerkracht ingezet waar nodig. Hoe wordt het stoplicht gebruikt: Rood: wij gaan stil aan het werk en mogen niks aan de leerkracht vragen.
Oranje: wij mogen fluisterend met elkaar overleggen, maar mogen niks aan de leerkracht vragen.
Groen: wij mogen met elkaar praten en dingen aan de leerkracht vragen.
Bij een werkles met kleine kring is de ene helft van de klas aan het werk en de andere helft van de klas bijvoorbeeld met de leerkracht in een kleine kring aan het rekenen. Als het stoplicht dan op oranje staat kunnen de kinderen die zelfstandig aan het werk zijn gewoon zacht met elkaar overleggen, maar wordt de leerkracht in de kleine kring niet gestoord. Zo hebben deze kinderen even alle aandacht. Natuurlijk gaat de leerkracht die in een kleine kring zit wel zo zitten dat hij/zij goed overzicht heeft over alle kinderen in de klas.

Themakaart

Bij de groepen 1/2 werken wij met een themakaart. Dit is een kaart waarin alle werkjes en activitieten worden beschreven die tijdens een thema behandeld worden. Een thema duurt ongeveer 3-4 weken. Gedurende deze weken hebben wij een doorlopende leer- en ontwikkelingslijn bij de kleutergroepen. Elke groep werkt aan hetzelfde thema en doen over het algemeen ook dezelfde werkjes. Het hoeft alleen niet zo te zijn dat wij dezelfde werkjes op dezelfde dag doen. Bij de deur van de klas ziet u een pompom op het raam. Deze pompom geeft aan wat er in dit thema belangrijk is voor u als ouder om te weten of wat belangrijk is om mee te geven aan uw kind. Soms hebben wij bij een thema materiaal nodig en vragen wij u als ouder om hulp. Het is dan wel zo als u materiaal mee geeft, wij hier heel voorzichtig mee omgaan, maar dat wij niet verantwoordelijk zijn voor de spullen als ze stuk gaan of kwijt raken. Op pompom staat ook aangegeven welke letter er tijdens het thema cetraal staat. De kinderen mogen dan materiaal meenemen dat begint met de letter waarover we werken. Ook hier geldt dan wel weer dat wij als school niet verantwoordelijk zijn voor kwijtraken of stuk gaan van het materiaal.
De themakaart is ingericht op de verschillende intelligenties. Op deze manier waarborgen de leerkrachten dat er tijdens het thema alle intelligenties aan bod komen. Ook staat er achter de opdrachten aan welke doelen wij werken. Het is natuurlijk belangrijk dat alle kerndoelen gedurende het jaar meerdere keren aan bod komen. Hieronder ziet u een voorbeeld van een themakaart. Normaal gesproken zijn dat meerdere pagina’s met bijlages. Dit is alleen de eerste pagina van het thema: ‘Tijdmachine : opa’s en oma’s’.

Kijk

Elke leerling wordt gedurende het gehele jaar geobserveerd. Alle momenten van observatie worden vastgelegd in een zogenaamd leerling volgsysteem. De ontwikkeling van elk kind wordt op deze manier goed gevolgd en in kaart gebracht. Het systeem dat wij hiervoor gebruiken heet ‘Kijk’. Dat is ook wat we doen, we kijken!
Er zijn veel verschillende onderdelen die we in kaart brengen;
De basiskenmerken (emotionele vrijheid, zelfstandigheid & nieuwsgierig zijn), betrokkenheid & eventuele risicofactoren worden in kaart gebracht. Verder kijken we naar de ontwikkeling op het gebied van het zelfbeeld, relatie met kinderen en relatie met volwassenen (de leerkrachten), spelontwikkeling, taakgerichtheid, grote en kleine motoriek, visuele en auditieve waarneming, mondelinge taalontwikkeling, beginnende geletterdheid, lichaamsoriëntatie, ruimtelijke oriëntatie, tijdsoriëntatie, beginnende gecijferdheid en logisch denken. We noteren op dagbasis wat we zien of wat opvalt. Twee keer per jaar sluiten we de observatie af en registreren de op dat moment ingevoerde observatiegegevens. Hierna wordt er een overzicht geprint, waarin we in één oogopslag zien hoe de ontwikkeling van een leerling verloopt. Deze ontwikkeling wordt aan de hand van het overzicht besproken met de ouders en de leerling tijdens de kindgesprekken.
Na groep 2 worden de gegevens bewaard in ons administratiesysteem en tijdens een overdracht besproken met de leerkracht(en) van de volgende groep.

Meervoudige intelligentie

Op school werken wij volgens de theorie van meervoudige intelligentie. De grondlegger van deze theorie is Howard Gardner. In deze theorie komt het er op neer dat elk mens beschikt over acht intelligenties. Doordat bij iedereen een andere intelligentie sterk ontwikkeld is, krijg je verschillende soorten slimheid. Dit geldt dus ook voor kinderen, onze leerlingen. Elk kind kind is uniek, waar de één slim is op het gebied van muziek, is een ander kind dit met bewegen. De acht verschillende intelligenties zijn;

taal (verbaal-linguïstisch)
reken (logisch-mathematisch)
kijk (visueel-ruimtelijk)
muziek (muzikaal-ritmisch )
beweeg (lichamelijk-kinesthetisch)
natuur (naturalistisch)
samen(interpersoonlijk)
ik (intrapersoonlijk)

Zoals eerder al werd vermeld, worden in de themakaarten de lessen en werkjes onderverdeeld in deze verschillende intelligentie. Zo zorgen we er voor dat elke intelligentie ruim aanbod komt en daarmee dus elk kind bereikt wordt.
In het trotsportfolio geeft een kind aan waarop het trots is en welke intelligentie zij hebben gebruikt bij dit werkje. Op deze manier willen we de kinderen bewust maken van hun intelligentie, zodat ze er een beroep op kunnen doen als ze een probleem hebben en op zoek zijn naar een oplossing.

Ook het kiesbord voor het zelfstandig werken is ingericht op de verschillende intelligenties, per verplicht werkje hangt de corresponderende meervoudige intelligentiekaart op het takenbord. De overige werkjes zijn voorzien van een pictogram waarop de leerlingen kunnen aflezen welke intelligentie er bij hoort.
In elk lokaal hangt een prikbord waarop de verschillende werkjes van een thema tentoon worden gesteld. Bij elk werkje hangt een kaartje met daarop de doelen waaraan gewerkt werd en de intelligenties die gebruikt werden bij het maken van het werkje.

Naast de al sterk ontwikkelde intelligentie(s), stimuleren we de kinderen ook om de minder sterk ontwikkelde (of minder vaak gebruikte) intelligentie verder te ontwikkelen en te versterken.

In het rapport is per leerjaar terug te zien welke intelligentie de leerling het meest kiest. Dit achterhalen we door het gehele jaar het zelfgekozen werk te registreren. Kiest een kind bijvoorbeeld vaak voor een werkje alleen maken (ikslim), werkt het graag met de natuurtafel (natuurslim), werkt het graag in de poppenhoek (taalslim en/of samenslim) of tekent een kind het liefst (kijkslim en/of beweegslim). Het kan voorkomen dat de intelligentie(s) per jaar jaar anders zijn, een kind ontwikkelt zich voortdurend!

Methodes

Rekenen: Wereld in getallen en Schatkist.
Taal/spelling: Schatkist
Verkeer: School op Seef
Muziek/dans/drama: Moet je doen
Sociaal-emotioneel: Goed gedaan